Dienst zondag 10 mei 2026 om 17:00 uur - Bethelkerk

Voorganger: Ds. W.J. Menkveld

Organist: Tromp van Goor

Collecte: Alg. Kerkelijke Arbeid

Schriftlezing: Spreuken 31: 10-31


Gezang 104:1, 2, 3

1 Gij die gelooft, verheugt u samen,
’t is God, die trouw zijn kerk bewaart!
Die hoop zal nimmer ons beschamen:
de Heer is God en zijns is d’ aard.
Zijn woord heeft vrede, heil bereid
van eeuwigheid tot eeuwigheid!
2 Gezanten gaan door alle landen,
een heil’ge opdracht drijft hen voort,
zij vrezen strijd noch smaad, noch banden,
zij houden vast aan Jezus ’ woord.
Het mart’laarsbloed is ’ t zaad der kerk,
de wasdom is des Heeren werk.
3 Nabij of ver, wij zijn verbonden:
één Heer en één geloof, één doop,
één Geest is tot ons neergezonden,
en één is aller liefd’ en hoop.
Wij bidden en wij danken saam,
wij roemen in één Vadernaam.


Psalm 130:2, 3, 4

2 Zo Gij in 't recht wilt treden,
O HEER', en gadeslaan
Onz' ongerechtigheden;
Ach, wie zou dan bestaan?
Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest;
Dies wordt Gij, HEER', met beving,
Recht kinderlijk gevreesd.
3 Ik blijf den HEER' verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop, in al mijn klachten,
Op Zijn onfeilbaar woord;
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
Wacht sterker op den HEER',
Dan wachters op den morgen;
Den morgen, ach, wanneer?
4 Hoopt op den HEER', gij vromen;
Is Israel in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt, op hun gebeden,
Gans Israel eens vrij
Van ongerechtigheden;
Zo doe Hij ook aan mij.


Psalm 24:2, 3, 5

2 Wie klimt den berg des HEEREN op?
Wie zal dien Godgewijden top,
Voor 't oog van Sions God, betreden?
De man, die, rein van hart en hand,
Zich niet aan ijdelheid verpandt,
En geen bedrog pleegt in zijn eden.
3 Die zal, door 's HEEREN gunst geleid,
En zegen en gerechtigheid
Van God, den God zijns heils ontvangen.
Dit 's Jakob, dit is 't vroom geslacht,
Dat naar God vraagt, Zijn wet betracht
En zoekt Zijn aanschijn met verlangen.
5 Verhoogt, o poorten, nu den boog!
Rijst, eeuwge deuren, rijst omhoog!
Opdat g' uw Koning moogt ontvangen.
Wie is die Vorst, zo groot in kracht?
't Is 't Hoofd van 's hemels legermacht;
Hem eren wij met lofgezangen.


Gezang 340:1, 2, 3

1 Eens brachten de moeders de kinderen tot Jezus,
toen spraken de discipelen: ‘Ga weg van de Heer!’
Maar Jezus zag hen henen gaan
en sprak ze o zo vriend’lijk aan:
‘O laat, o laat de kinderen komen tot Mij!’
2 ‘Want hen wil ’k ontvangen en in Mijn armen nemen,
Ik zal der lamm’ren Herder zijn; o zend ze niet van Mij!’
Elk kind, dat Mij zijn hartje geeft,
zal ’k maken dat ’t gelukkig leeft.
O laat, o laat de kinderen komen to Mij!!
3 Hoe vriend’lijk was Jezus voor deze kleine kind’ren.
Maar vele duizend kleinen ach, zij hoorden nooit Zijn Naam!
Zij weten nog niet zoals wij,
dat eens de lieve Heiland zei:
‘O laat, o laat de kinderen komen tot Mij!’


Spreuken 31:10-31

31:10. Wie zal een deugdelijke vrouw vinden? aleph Haar waarde gaat die van robijnen ver te boven.
11. Op haar vertrouwt het hart van haar echtgenoot, beth en bezit zal hem niet ontbreken.
12. Zij doet hem goed en geen kwaad, gimel al de dagen van haar leven.
13. Zij zoekt wol en vlas daleth en werkt volgens de wens van haar handen.
14. Zij is als schepen van een koopman, he zij laat haar voedsel van verre komen.
15. Zij staat op als het nog nacht is, waw en geeft haar huisgezin voedsel, haar dienstmeisjes het hun toegewezen deel.
16. Zij zet haar zinnen op een akker, en verwerft die, zain van de vrucht van haar handen plant zij een wijngaard.
17. Zij omgordt haar heupen met kracht, cheth zij maakt haar armen sterk.
18. Zij merkt dat het met haar zaken goed gaat, teth haar lamp dooft 's nachts niet.
19. Zij steekt haar handen uit naar het spinnewiel jod en haar handen houden een weefspoel vast.
20. Zij opent haar hand voor de ellendige, kaph zij spreidt haar handen uit naar de arme.
21. Zij is niet bevreesd voor haar huisgezin vanwege de sneeuw, want heel haar huisgezin is in scharlaken gekleed.
22. Zij maakt voor zichzelf dekens, mem van fijn linnen en roodpurper is haar kleding.
23. Haar echtgenoot is bekend in de poorten, nun als hij daar zit met de oudsten van het land.
24. Zij maakt onderkleding en verkoopt die, samech zij levert de kooplieden gordels.
25. Kracht en glorie zijn haar kleding, ain zij lacht de komende dag toe.
26. Zij doet haar mond open met wijsheid, pe onderricht uit genegenheid ligt op haar tong.
27. Zij houdt de gangen van haar huis gezin in het oog, tsade en brood van de luiheid eet zij niet.
28. Haar kinderen staan op en prijzen haar gelukkig, koph ook haar echtgenoot roemt haar:
29. Veel dochters hebben krachtige daden verricht, resj maar jíj overtreft ze allemaal.
30. Bevalligheid is bedrieglijk en schoonheid vergankelijk, sjin een vrouw die de HEERE vreest, die zal geprezen worden.
31. Geef haar van de vrucht van haar handen taw en laten haar werken haar prijzen in de poorten.


Psalm 22:5, 14, 16

5 Gij immers, HEER', Gij zijt het, door Wiens macht
Ik uit den buik weleer ben voortgebracht.
Aan 's moeders borst vertrouwd' ik op Uw kracht
Van ganser harte.
Zij wierp mij reeds op U, in barenssmarte
Gans onbevreesd; 'k Mocht nauwlijks 't licht aanschouwen,
Of Gij, Gij zijt, o grond van mijn vertrouwen,
Mijn God geweest.
14 Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;
Haast wendt het zich tot God met hart en mond;
En, waar men ooit de wildste volken vond,
Zal God ontvangen
Aanbidding, eer en dankbre lofgezangen,
Want Hij regeert, En zal Zijn almacht tonen;
Hij heerst, zover de blindste heidnen wonen,
Tot Hem bekeerd.
16 Zij komen aan, door Goddlijk licht geleid,
Om 't nakroost, dat den HEER' wordt toebereid,
Te melden 't heil van Zijn gerechtigheid
En grote daden.


Gezang 173:1, 2, 3

1 Van u wil ik zingen,
wie d’eng’len omringen,
al juichend getuigend
Uw goedheid, o Heer.
‘k Wil loven en danken
met woorden en klanken
en prijzen Uw goedheid
en liefde steeds meer.
2 Moog’ immer mijn harte
in vreugd’ en in smarte
zich leren te keren,
o God, tot Uw troon.
Verhoor mijn verlangen,
wil leiden mijn zangen
tot ‘k, Vader, benader
der engelen toon.
3 Moog’ hier dan mijn zingen
Uw heem’len doordringen
en juub’lend zich mengen
met hemelse toon,
tot ‘k eenmaal hierboven
U eeuwig mag loven,
als ‘k juichend zal staan
bij Uw stralende troon.